evolutie van de godsdienst




0 doelstelling

Binnen het algemene begrip 'religie' zijn tal van geloofsvormen te onderscheiden, die op allerlei manieren samenhangen met traditie, folklore, wetenschap en magie. Op het eerste gezicht is de menselijke geloofsbeleving een wirwar van voorstellingen en theoremen, waar nauwelijks orde in aan te brengen is. Toch stelt de anthropoloog zich ten doel om deze Gordiaanse knoop te ontwarren - en níet op de manier die Alexander de Grote daartoe aanwendde!

Verklaring is ordening. Het is zaak op zoek te gaan naar een classificatorische structuur om de stromingen en ideeën binnen de geloofswereld te rangschikken. Hierbij is het van fundamenteel belang dat deze structuur niet aan de verschijnselen opgelegd wordt, maar dat zij eruit afgeleid wordt. Een wetenschappelijke analyse is descriptief, niet praescriptief. Deze methodische notitie is voor zeer velen een valkuil geworden.

Het gaat er dus om dat er een immanent patroon wordt gevonden in de veelvormigheid van de religieuze wereld. Binnen dit patroon kunnen de afzonderlijke stelsels zich op verschillende manieren tot elkaar verhouden. In een diachrone rangschikking worden de stelsels in een relatie van oorzaak en gevolg tot elkaar geplaatst, zodat het ene stelsel een logisch en voorspelbaar uitvloeisel van het andere is, of omgekeerd. In een synchrone rangschikking wordt een ander criterium aangevoerd voor de ordening van de stelsels, waarbij de chronologische rangschikking op de achtergrond raakt. Te denken is aan samenhang met sociaal-politieke stelsels, samenhang met geologische en climatologische verschijnselen, samenhang met de levende natuur ter plaatse, samenhang met de charisma's van afzonderlijke individuen. Een typische niet-historische indeling van religieuze phaenomenen is een indeling die zich richt op de modaliteit van het geloof: mystiek, cultisch, dogmatisch, catechetisch, homiletisch, charismatisch.

De grote bindende factor in de methodologie van vele wetenschappelijke disciplines is sinds de Verlichting het diachrone denken. Het mechanisme van de evolutie is de sleutel tot het ons vertrouwde wereldbeeld. Sterrenkunde, aardwetenschap en biologie beschreven de ontwikkelingsladder van het levenloze naar het levende en van de oudste protoplasmata naar de complexe mens. Geschiedkunde en oudheidskunde onderzochten de loop van de menselijke beschaving in schriftsoort, stedenbouw, staatkunde, werktuigbouwkunde, leefwijze en geestelijke cultuur. In de sociologie en de psychologie keren dezelfde evolutionaire aspecten terug die door andere disciplines werden voorgeschreven. De enige vormen van wetenschap die zich in zekere zin aan de diachrone ordening onttrekken zijn wiskunde en wijsbegeerte, maar deze zijn dan ook eerder als methoden ter beoefening van de wetenschap te zien dan als bestudeerde verschijnselen die zelf verklaring behoeven.

Ten aanzien van de theorievorming over de menselijke religie is niets wenselijker dan een primair diachrone rangschikking. En inderdaad is hiermee de grondslag voor de hedendaagse visie gegeven. Ongelukkig genoeg zijn de resultaten van dit onderzoek bedroevend. Er is een zekere stilzwijgende consensus over de volgorde 'animisme en totemisme, polytheïsme, monotheïsme', hoewel talrijke anderen ook dit bestrijden. Men verkeert in het ongewisse over het al of niet bestaan van archetypische symbolen in de menselijke geest, die de universele terugkeer van steeds dezelfde afbeeldingen zouden mogen verklaren. Men weet niet of de mythenschat vooral geïnspireerd werd door sociaal-psychologische gegevens - zoals de phallussymboliek en het Oedipus-complex - of door vergezochte metaphoren voor alledaagse natuurverschijnselen - zoals de regenboog, de baan van de zon en de jaarlijkse terugkeer van de lente - of door planetaire en stellaire codes of zelfs ook door de vindingrijkheid van creatieve barden! Men is onzeker of de termen 'primitief' en 'ontwikkeld' zin hebben. En men is doorgaans blind voor de intense samenhang tussen geloofsvoorstellingen, mythologie, symboliek en maatschappijstructuur.

Een en ander betekent niet dat het arsenaal aan theoretische kaders uitgeput is. Het is tijd voor een nieuwe benadering. Deze benadering vraagt om zorgvuldige inventarisatie, benoeming van universele thema's en ten slotte reconstructie. Het blijkt dat de velden van kunst, religie, mythologie, symboliek en staatsinrichting alle zonder uitzondering volkomen beheerst worden door een aantal universele thema's die een mythische oorsprong hebben. Deze thema's hebben een duidelijk beginpunt in de tijd, omdat zij historisch verankerd zijn. De verdere ontwikkeling en uitwerking ervan is volkomen voorspelbaar, zodra men de historische achtergrond voor het ontstaan van de thema's wegneemt. En dit is inderdaad wat er gebeurd is. Aan de basis van de menselijke wereldbeschouwing liggen gebeurtenissen van astrale aard, die als metaphoren dienen voor sterrenkundige waarnemingen. De nachtelijke sterrenhemel zag er enkele duizenden jaren geleden anders uit dan nu. Zij was het toneel van een beperkt aantal bijna-botsingen en komeetverschijningen die een verschuiving in de banen van een aantal planeten tot gevolg hadden. De gedachtengang achter deze planetaire mythologie is uitvoerig uitgewerkt in de zogenoemde Velikovskyaanse of neocatastrophistische litteratuur.

Vóór de roerige gebeurtenissen in het hemelruim plaatsvonden, werd de menselijke religie gekarakteriseerd door een beperkt aantal primitieve veronderstellingen, die leidden tot uitgewerkte stelsels van gedragscodes. Fatalisme, magie en animisme zijn direct te verklaren uit het niet-empirisch denken van de mens en behoeven dus geen enkele andere verklaringsgrond dan het bestaan van de mens alleen. Zij zijn derhalve zeer archaïsch.

Ik stel een ontwikkelingsgang van de menselijke religie in vijf stappen voor. Deze stappen zijn niet uitwisselbaar en elke menselijke gemeenschap doorloopt ze in dezelfde volgorde. In tegenstelling tot de communis opinio handhaaf ik tevens dat de vijf phasen niet slechts in het algemeen een wereldwijd karakter dragen, maar ook en détail. De beschikbare bronnen zelf tonen immers ten overvloede dat niet alleen het verschijnsel mythologie bij alle volken voorkomt, maar dat alle volken zelfs ook dezelfde mythen vertellen, mits men goed interpreteert. En niet alleen het verschijnsel taboe was ooit universeel, maar ook de concrete gedachtengang achter het taboeïsme was overal identiek. Ik geef een korte uiteenzetting van deze vijf perioden.


1: sympathetische magie

In de oudste periode van het menselijk bewustzijn waren noch de sterren noch de mensen noch enige abstracte of theoretische veronderstelling de basis voor religie. De vroegste vorm van religie draagt twee kenmerken:

Alle vormen worden direct afgeleid uit de natuur en zijn het gevolg van waarnemingen. Dat hierbij een onjuiste interpretatie werd gebruikt van de gang van zaken in de natuur doet hier niets aan af.

Alle vormen zijn ahistorisch en het geloof bevat dus geen verhalen of mythen, maar alleen gedragscodes en definities.

In deze periode valt het grote stelsel van de sympathetische magie, dat uitvoerig wordt beschreven in de literatuur. Het is primair te definiëren als een doelmatig of teleologisch stelsel, omdat het mechanisme volgens hetwelk dingen tot stand komen sterk onderbelicht blijft.

De sympathetische magie heeft betrekking op de manier waarop de vroegste mens zich de verhouding tussen de afzonderlijke verschijnselen in de natuur dacht. In de contact-magie blijft iets wat ooit met iets anders in aanraking was altijd met dat andere verbonden en ondergaan beide hetzelfde lot. Als iemand een haar of een teennagel van mij bemachtigt, kan hij daar een effect op uitoefenen in het besef dat hetzelfde effect mij zal treffen. In de homoeopathische magie gedragen twee identieke dingen zich hetzelfde, en wat één van beide overkomt, overkomt dus ook de ander. Deze verhouding wordt getypeerd door de kreet 'iets brengt zichzelf voort', oftewel oorzaak en gevolg zijn identiek. Als iemand een voodoo-poppetje van mij maakt en daar een pin doorheen steekt, zal ook ik uiteengereten worden, omdat het poppetje mij uitbeeldt. Beide vormen van magie, die uitvoerig gedefinieerd en toegelicht zijn door Sir J. Frazer (The golden bough, 1922), worden dikwijls gecombineerd en hebben geleid tot uitgebreide netwerken van gedragsvoorschriften. Uit het Oude Testament kennen we de spijswetten, die gebaseerd waren op zulke magische principes.


2: de mythologie

De volgende stap in de ontwikkeling gaat van ahistorisch naar historisch. De oorzaak hiervoor is alleen te begrijpen als men zich realiseert dat de primaire focus van mythologie en religie niet op de aarde was, maar op de hemel. De sterren en planeten zijn de natuurverschijnselen die op de een of andere wijze de aanzet hebben gegeven tot de menselijke natuurphilosophie. De kernveronderstelling van het neocatastrophisme is nu dat de geboorte van de mythologie een bijverschijnsel was van het optreden van veranderingen in het hemels domein.

In de voorafgaande periode hadden de planeten en sterren een bepaalde constellatie gehad die op het oog geen veranderingen onderging en derhalve stabiel was. Zij droegen namen en beschrijvingen, maar waren op dat moment nauwelijks belangrijker dan alle andere verschijnselen in de natuur - zoals rotsen, rundvee en bomen - omdat er geen actie van ze uitging. Ze stonden niet in een oorzakelijk verband met enig ander ding. In deze tijd zijn ahistorische thema's ontstaan als: de God Eén, de God Zon, de Oude God, de God met één Been, de God op de Berg, de God met één Oog, de gouden God, de God in zijn rijtuig, die aan de hemelse Noordpool is en van daaruit alle sterren en werelden laat draaien; de Moedergodin, de vrouw van de God Eén, de Baarmoeder; en dergelijke meer.

Op een zeker moment in de geschiedenis zijn er belangrijke veranderingen in deze constellaties opgetreden, die verstrekkende gevolgen hadden voor de planeet Aarde. De Aarde werd zelfs betrokken bij een grote catastrophe, waarbij de mensheid bijna werd uitgeroeid. Deze gebeurtenissen, die voor een mensenoog duidelijk veroorzaakt werden door 'de goden' in de hemel, leidden bij de mens een keten van verschijnselen in. De angst was de kern van de veranderingen. En juist zoals een kind een nare ervaring kan verwerken door te spelen, zo ontwikkelde de mens de cultus en de rite om te leren omgaan met deze angst. In deze cultus kwamen de volgende aspecten tot uitdrukking:

Het vertellen van de gebeurtenissen, waarmee de mythologie in engere zin geboren was. Bij gebrek aan een adaequaat jargon ontstond de merkwaardige situatie dat de verhalen alleen begrepen konden worden door mensen die de juiste associaties bij de woorden hadden, immers niet de aardse referenten van deze woorden, maar de hemelse tegenhangers. De boom was dus niet een echte boom op aarde, maar de grote levensboom waarop de God Eén had gewoond. Op deze wijze ontstonden noodgedwongen paradoxale verhalen, die slechts nut hadden wanneer er goede verstaanders waren.

Het naspelen van de gebeurtenissen, dat eigenlijk een kunstzinnige variant op het vertellen was. Hiermee ontstonden de oudste spelen van de mens, zoals het hinkelen, omdat de Oude God verlamd was, en het kegelen, omdat de goden van hun plaats rolden door de activiteiten van Mars. Alle spelen in de Oudheid zijn ontstaan als zuiver cultische gebeurtenissen. Ook de ontwikkeling van de muziek hing hiermee samen.

Het imiteren van de situatie vóór de rampen op vele terreinen, zodat de goden hierdoor misschien geneigd mochten worden om de oude situatie te herstellen en de mens mochten sparen voor verdere rampen. Te denken valt aan de bouw van steden als herinneringen aan de verloren hemelse stad, namelijk met een aardnavel of omphalos in het centrum, met vier rivieren en een omsluitende muur; aan de instelling van het koningschap, waarbij de koning net als oorspronkelijk de god Saturnus een mantel droeg, een kroon op had, een scepter in de hand had, op een throon zat, omgeven werd door zeven wijzen, en - in de meest authentieke reflecties - door zijn opvolger vermoord werd; en niet in het minst aan de instelling van verzoeningsriten, waarbij de verbrandingsdood van Saturnus op het altaar werd nagespeeld met levende mensen.


3: het fatalisme, het animisme en het totemisme

Uit de ontwikkeling van de mythologie, die zulk een bepalende bijdrage had geleverd aan het lot van de mensheid, vloeiden automatisch enkele consequenties voort voor het verdere denken. Deze consequenties waren ingegeven door waarnemingen die ook al vóór de tijd van de mythische gebeurtenissen gedaan werden, maar toen nog niet benoemd werden omdat de goden nog nauwelijks als personen geduid werden.

Het fatalisme gaat over de allesbeheersende rol van het fatum, het lot, in deze wereld. De dingen gebeuren niet toevallig, maar er zijn hemelse agentia die ze veroorzaken. En aan de wil van deze agentie valt niet te ontkomen, men zal zich er bij neer moeten leggen. Dit idee van het noodlot kan vóór de mythologie al wel bestaan hebben, maar is toch sterk gekleurd door de mythische gedachte:

De mensheid was ooggetuige geweest van het spinnen van de lotsdraden, want de vrouw die in de levensboom woonde spon van daaruit een draad die verbonden was met de goden. Deze draad is geknapt en toen is Saturnus overleden. Vandaar kon men niet anders interpreteren dan dat de dood gepaard gaat met het knappen van de levensdraad.

De rampen op Aarde die het gevolg waren geweest van de hemelse gebeurtenissen waren absoluut onvermijdelijk geweest en de mens had zijn machteloosheid sterk ervaren. Het gevoel van onmacht tegenover de gebeurtenissen betekende een sterke teleurstelling op het vlak van de sympathetische magie en kreeg hier en daar de overhand.

De meest practische kant van het lotsgeloof is de mantiek, waarmee de mens trachtte grip te krijgen op het verband tussen voortekenen en gebeurtenissen. Bekend zijn het lezen van olievlekken, de levers van slachtvee, en de vlucht en roep van vogels. Het behoeft geen betoog dat mantiek niet kan bestaan als er geen lotsgeloof is, zodat er ook een zekere inhaerente spanning bestaat tussen mantiek en magie. Mijn overtuiging is dat de mantiek - hoe redeloos haar voorschriften ons ook mogen voorkomen - is voortgekomen uit reële waarnemingen. Deze waarnemingen waren gebaseerd op de mythische gebeurtenissen. Orakels, omina en waarzeggerij vinden dus in deze periode hun ontstaan.

Het animisme draait om de veronderstelling dat de hele wereld krioelt van de geestelijke wezens: daemonen, nymphen, saters en wat niet al. Ook dit besef zal in de voor-mythologische tijd al wel bestaan hebben, maar de geesten werden toen niet benoemd en niet vereerd en waren ook weinig angstaanjagend. Het is de impuls van de mythische gebeurtenissen geweest, waardoor men leerde om agentia te identificeren als geesten. Bovendien is ook het concept van de ziel sterk verbonden met de Saturnus-mythe, omdat bij het uiteenvallen van de polaire configuratie de planeet Venus als ziel van de planeet Saturnus van haar positie vóór hem was afgeweken en het universum ingegleden was. Ik beschouw de mythische thema's van (1) de expulsie van een ziel uit een overleden lichaam, (2) de Melkweg als route die de overleden zielen naar de Onderwereld afleggen en (3) de transformatie van een ziel tot een ster als één religieus stelsel, dat bij het animisme hoort. Het was in zijn geheel gebaseerd op de gebeurtenissen die bij de dood van Saturnus aanschouwd waren.

Het totemisme kan niet zonder het zielengeloof en houdt zich inzonderheid bezig met de zielen van de overleden voorvaderen. De practijk van het totemisme is het beste te definiëren als een samenspel van magie en animisme.

Een onontkoombare paradoxie was gegeven met het ontstaan van het fatalisme. Immers, de oudste laag van religie, de sympathetische magie, ging er sterk vanuit dat het leven beheersbaar was, mits men maar de goede technieken gebruikte. In het fatalisme ligt de nadruk op de machteloosheid van de mens, die dan tot slachtoffer van de goden gedegradeerd is.

Om te beginnen moet het duidelijk zijn dat het signaleren van dit spanningsveld een absolute vereiste is om tot een adaequate beschrijving van de ontwikkeling van het menselijk geloof te komen. Het zijn in de loop van de hele theologie altijd de paradoxen en tegenstrijdigheden geweest, die de loop van de bewuste theorievorming bepaald hebben. Sterker nog: het lijkt erop dat juist de aanwezigheid van tegenstellingen en discrepanties zo kenmerkend is voor religie, en dat de gewone gelovige daar ook bij lange na niet zo veel moeite mee heeft als de wetenschappelijk geïnteresseerde observant.

Me dunkt derhalve dat de ontstane spanning tussen magie en fatalisme in de beleving van de gewone mens nooit meer is opgeheven, maar dat er wel degelijk een modus vivendi is ontwikkeld in de vorm van een practisch compromis. Welk compromis is dit geweest? Hoe konden magie en fatalisme zich voor de eenvoudige gelovige met elkaar rijmen? In dit verband wijs ik erop dat het niet zo is dat men of voor het ene of voor het andere stelsel gekozen heeft, zodat in sommige cultuurgebieden het lotsgeloof zou overheersen en in andere het voodoo-geloof. Het is een simpele waarneming dat beide een universele spreiding hebben en gelijktijdig kunnen voorkomen. Theoretisch zijn er twee mogelijkheden om magie en fatalisme in een cohaerent stelsel onder te brengen:

fatalisme door magie: Weliswaar is de werking van een magisch ritueel voor het bewustzijn van de uitvoerder het gevolg van zijn activiteiten, maar in werkelijkheid ligt zijn geloof zelf mét de werking van de magie verankerd in het fatalisme als een soort ultieme beschikking van God. Dit is voor wijsgeren misschien aardig en doet verdacht veel denken aan de manier waarop Christelijke theologen hun vraagstukken plegen op te lossen, maar een dergelijke visie zou in de spontane gedachtengang van de normale gelovigen nooit opkomen en zeker niet standhouden: je kunt er niets mee.

fatalisme of magie: Beide stelsels zijn juist, maar ze hebben niet op hetzelfde domein betrekking. In sommige situaties is de magie van toepassing, terwijl het fatum over andere onderwerpen gaat. Deze verklaring is theoretisch niet te handhaven, maar voor de beleving van de practische mens toch reëel. Dit wordt hierdoor veroorzaakt dat zijn kennis en inzicht begrensd zijn, zodat hij sommige dingen causaal kan verklaren en andere niet. Zou hij nu beseffen dat zijn onkunde ten aanzien van sommige dingen overkoombaar is door op zoek te gaan naar de verklaring en derhalve door te leren, dan zou hij een empiricus zijn, zoals wij dat wensen te zijn. De niet-Verlichte mens is echter niet geneigd om zo met de zaken om te gaan: hij verkeert in de veronderstelling dat de verdeling tussen begrijpelijke en onbegrijpelijke dingen statisch is en niet dynamisch. Dat wil zeggen: de onbegrepen dingen zullen ook niet begrepen worden, want ze zijn per definitie onbegrijpelijk. Ik heb een sterk gevoel dat juist dit ervaringsfeit het middel is geworden waarmee de mens een verzoening tussen magie en fatalisme enigszins mogelijk heeft gemaakt. De gebeurtenissen die hij zelf kan begrijpen zijn blijkbaar een gevolg van zijn eigen magische handelingen of de magische handelingen van een medicijnman, terwijl de ogenschijnlijk onbegrijpelijke gebeurtenissen kennelijk voortvloeien uit het onzichtbare fatum en een goddelijke oorsprong hebben.






4: de godsdienst

Voor de contemporaine mens was het ontstaan van de mythologie een automatisme dat met de ontwikkeling van de taal samenhing en waren het ontstaan van fatalisme, animisme en totemisme vanzelfsprekende gevolgen van de aanschouwde gebeurtenissen op geestelijk terrein. De mythologie bevatte echter een kiem voor wanorde, en dat was haar onbegrijpelijkheid wanneer men het oorspronkelijke schouwtoneel niet meer voor ogen had. De wereld en de hemel waren door de gebeurtenissen veranderd en het was dus zuiver de herinnering van de mensheid die de logica van de mythen nog zou kunnen garanderen. Het is daarom dat de mens alles op alles zette om de mythische taferelen in alle aspecten van de materiële en de geestelijke cultuur vast te leggen.

Juist de overweldigende mate waarin de culturele instellingen aan de oorspronkelijke gebeurtenissen probeerden te herinneren heeft de doelstelling echter ten val gebracht. Het onafwendbare gebeurde: de traditie werd niet meer begrepen. De zin van de mythen en de feesten raakte in de vergetelheid. Op dit moment zijn we in de late Oudheid aangeland, vanaf grofweg de Hellenistische tijd. Denkers gingen op zoek naar een begrijpelijke ondergrond voor de heersende gebruiken. De feesten die oorspronkelijk de dood van de Zonnegod herdachten werden omgevormd tot vage 'lentefeesten' of 'vruchtbaarheidsfeesten' in een langgerekt, grotendeels onbewust proces. Men ging proberen het aantal goden te bepalen en hun familierelaties te beschrijven, zonder zich te herinneren dat de ledematen van de God Eén zelf de goden waren en dat de God Eén zichzelf verwekt had. De letterlijke en oude tradities, hoe onbegrepen ook, gingen 'ondergronds' en overleefden als de welbekende mysteriegodsdiensten - waaronder de Isis-mysteriën, Eleusis-mysteriën, Dionysieën, Mithra-mysteriën, Tammuz-dienst, Nazareners, et cetera - en de volksreligie koerste aan op een verwarrend veelgodendom met talrijke altaren en priesters en veel wanorde.

Onder deze chaotische omstandigheden is het begrijpelijk dat het besef baan brak dat de vele goden in feite uitvloeisels van één god waren. De ontwikkeling van het polytheïsme naar het monotheïsme is in allerlei cultuurgebieden op allerlei wijzen verlopen. In de meeste gevallen ging zij door een periode van henotheïsme heen, waarin het bestaan van de vele goden wel erkend werd, maar er toch slechts één aanbeden werd. In vele gebieden ontstond een dualisme, waar het godental gereduceerd werd tot twee hoofdrolspelers, Goed en Kwaad. De diverse gnostische geloofsgemeenschappen hadden een zeer nauwe band met het dualisme. In feite is de strijd nooit geheel beslecht, en dat omdat de mens moeite heeft met het verlaten van oude tradities en het liefst alles wil behouden.


5: de empirie

Ik beschouw de geboorte van de 'moderne wetenschap' als de laatste stap in de evolutie van de menselijke religie, omdat het in het logische verlengde ligt van de godsdiensten. Zodra men immers het bestaan van slechts één god postuleert, volgt automatisch dat deze god alle dingen contrôleert en bestuurt en, in het verlengde daarvan, dat er een eenduidig verband is tussen gedragingen en verschijnselen, één samenhangend geheel van logische afleidingen die toeval uitsluiten. Een dergelijke visie nodigt uit om iets van dat systeem te beschrijven en de logica wordt geboren. De logica bant de sympathetische magie uit en de mythologie eveneens, omdat ze die onjuist interpreteert, en in de meeste gevallen de godsdienst eveneens, omdat die niet aantoonbaar juist is. We plaatsen de Voor-Socratische wijsgeren aan het begin van de empirische wetenschap. Deze wetenschap is ver voortgeschreden en heeft haar eigen ontstaansgrond overbodig gemaakt, namelijk het godsgeloof, door ontmythologisering en abstrahering van de god. De god is het mechanisme zelf geworden. De god is alles en niets. De god ís de wetenschap. En deze wetenschap zal op een dag door de beperkingen van het menselijk begrip een natuurlijk halt toegeroepen worden en dat zal het einde van het verhaal zijn. Ik mag hopen dat zij nog vóór die tijd in staat zal zijn om de oudste wortels van het menselijk geloof zelf terug te vinden en daarmee tot een diepe vorm van zelfkennis te komen. Waarvan acte!


6 samenvatting

Ik onderscheid vijf opeenvolgende perioden in de ontwikkeling van de religie op basis van vier criteria. Deze criteria zijn de volgende:

rationaliteit van het stelsel: De thematiek kan ingegeven zijn door onmiddellijke waarnemingen in de natuur, of door concepten alias theorievelden. Het fundamentele verschil is dat waarnemingen ten gevolge van de gebruikte bewoordingen met elkaar strijdig kunnen zijn en niet in één logisch stelsel hoeven te passen, terwijl het ontwerp van een concept een zekere logica vereist. De concepten zijn ontstaan ná de waarnemingen, omdat de waarnemingen het uitgangspunt waren voor de speculatie.

historiciteit van het stelsel: De religieuze thema's kunnen een statisch, ahistorisch karakter hebben, of een dynamisch, historisch karakter. In het eerste geval is er niet meer dan een vaag omlijnd wereldbeeld, in het tweede geval zijn er verhalen, gebeurtenissen en volgordes in het spel. Ook het heilsplan in de Christelijke dogmatiek is een historisch geloof.

traditionaliteit van het stelsel: De thematiek kan tolerant zijn ten opzichte van alle tot dan toe bestaande tradities, of zij kan revisionistisch zijn en er geen moeite mee hebben om ongewenste elementen te schrappen. Alle religies tot aan de geboorte van de wetenschap waren traditioneel, omdat daarin aan allerlei tradities plaats geboden werd, zelfs al waren ze strijdig.

intentie van het stelsel: Hoewel hier vaak moeilijk valt te onderscheiden, is het toch in het algemeen mogelijk iets te zeggen over de richting of bedoeling van religieuze mededelingen. Magie en godsdienst zijn vooral teleologische of doelmatige stelsels, waarin de feiten gebruikt worden om een bepaald doel te realiseren. De functie van mythologie en empirie ligt vooral in de mededeling van dingen die achter ons liggen en zijn daarom eerder aetiologisch. Fatalisme, animisme en totemisme zijn in feite ook primair teleologisch, hoewel de motivatie voor verder gedrag op theoretische gedachten stoelt.

Op basis van deze criteria kunnen de perioden aldus gedefinieerd worden:

rationaliteit; historiciteit; traditionaliteit; intentie


sympathetische magie: irrationeel; ahistorisch; traditioneel; teleologisch

mythologie: irrationeel; historisch; traditioneel; aetiologisch

fatalisme, animisme, totemisme: rationeel; ahistorisch; traditioneel; teleologisch

godsdienst(1): rationeel; historisch; traditioneel ;teleologisch

empirie: rationeel; ahistorisch; non-traditioneel; aetiologisch


M. A. van der Sluijs

Grasmaand 1998

1. In feite is de godsdienst een optelsom van de mythologie en het fatalistisch, animistisch en totemistisch geloof, waarbij alle kenmerken van beide perioden naast elkaar bestaan. Het is juist deze tolerantie die het gevoel van inconsistentie voortbracht dat later de aanzet tot het empirisch zou geven.