de geestelijke kromme

Wat opvalt bij de manier waarop kerkelijke genootschappen tot een verzoening proberen te komen is het verdoezelen van de waarheidsvraag. Een buitenstaander kan zich nauwelijks aan de indruk onttrekken dat het Samen-op-Weg-gebeuren vooral gerealiseerd wordt door over de 'moeilijke verschilpunten in de leer' niet meer te praten en een sfeer van goodwill te kweken. Het lijkt of voor een merendeel van de Christenheid de ultieme geopenbaarde waarheid er niet zoveel meer toe doet als dat vroeger wel het geval was. Wat wil dat eigenlijk zeggen? Is dat een betreurenswaardig verlies, een achteruitgang?

In feite ontbreekt het bij discussies over geloofszaken aan een duidelijk kader, waarbinnen de relevante grootheden hun natuurlijke positie innemen. Zo'n kader heeft in het Christelijk geloof twee dimensies: traditionaliteit en rationaliteit. Dat wil zeggen: omdat het een 'historisch geloof' is met wortels in het verleden en met een visie op de wereldgeschiedenis heeft het Christendom een historisch of traditioneel aspect. En omdat het Christendom daarnaast claimt de waarheid te verkondigen, simpelweg te vertellen hoe het echt zit met deze aarde, heeft het tevens een rationeel aspect, een aspect van dingen die waar en niet waar zijn en door de rede onderscheiden worden. Het samengaan van deze twee dimensies maken het de kerk ten diepste voor altijd onmogelijk om succes te hebben, want ze zitten elkaar voortdurend in de haren.

Beide aspecten waren van begin af aan aanwezig, al in het oude Israëlitisch geloof. De voorvaderen van de latere Joden geloofden dat het waar was wat de priesters leerden en participeerden devoot in de sacrale handelingen. En toch lag de verhouding tussen traditie en ratio in de antieke tijd anders dan later. In die tijd ontleende de religie haar waarheidsgehalte enkel en alleen aan haar ouderdom. De verhalen en de cultische gebruiken waren van ouds her overgeleverd en dáárom waren ze waar. Het religieuze stelsel hoefde niet logisch te zijn op zichzelf en was dat dus ook in genen dele. De overgeleverde religie was - trouwens niet alleen bij Israël, maar waar dan ook ter wereld - een conglomeraat van mythen en sagen, hoge feesten en incidentele sacramenten, liederen, offeranden en ethische waarden, dat nauwelijks coherentie vertoonde en vooral oud was.

Pas met het optreden van de voor-Socratische filosofen in Klein-Azië deed een volkomen nieuwe benadering intrede in de geschiedenis. De filosofen probeerden de geloofselementen met elkaar te rijmen en een omvattend geheel voor ze te creëren. Zij probeerden een leer te ontwikkelen. En dit beginsel werd niet lang na hen aangewend om het systeem boven de traditie te verheffen, de theologie boven de mythologie en de waarheid boven hetgeen was overgeleverd. Een klus die met horten en stoten verliep en een zwaar tol eiste. Vele leraren in de vroege kerk, onder wie vooral Origenes, probeerden de ontkoppeling te bewerkstelligen door het begrip van de meervoudige schriftzin te introduceren: er stond niet wat er stond in de heilige boeken, of liever, er stond meer dan er stond. Twee of meer waarheden in één. Hier en daar werd in de loop van de Middeleeuwen protest gehoord tegen de handhaving van het schriftgezag en werd gepleit voor verzelfstandiging van de rationele benadering van het geloof. En het was deze tendens die in de zestiende eeuw culmineerde in de protestantse beweging.

Binnen alle protestantse kerken bestaat grote blijdschap over de verworvenheid van de reformatie. Welke verworvenheid was dit? De zege van het schriftgezag, zou je kunnen zeggen. Het sola scriptura-principe. Het idee dat de geloofsleer alleen gebaseerd kon worden op teksten in het boek der boeken en niet op de overgeleverde kerkelijke traditie. De afschaffing dus van zoveel mogelijk gedachten en gebruiken die níet in de Bijbel verankerd liggen. En alzo geschiedde. Een paar honderd jaren waren genoeg om Noord-Europa cultureel ernstig uit te dunnen en een sterk appèl op het geweten van de afzonderlijke mens te leggen. Ziedaar de glorie van de reformatie!

Helaas belichten de protestanten hun stellingname veel te eenzijdig. De winst was ook verlies. Toen de theologen van de Bijbel gingen verlangen dat deze een kloppende en harmonische heilsleer bevatte deden zij een veel te zwaar beroep op de veelzijdige bundel geschriften. Zij vroegen het onmogelijke en raakten hopeloos in de knoop. Het bleek gewoon niet mogelijk om een tijdloze theologie te ontwikkelen en alerlei 'verbonden' en 'bedelingen' moesten gedefinieerd worden om de zaak te redden. Een legioen concepten en begrippen moest verzonnen worden om het godsdienstig stelsel ruggegraat te verlenen. En de twisten en debatten konden nooit voltooid worden. Dat is het eerste nadeel.

Het tweede nadeel is minstens zo ingrijpend. Door al die elementen uit de geloofspractijk te verwijderen die niet in de Bijbel terug te vinden waren, gooide men niet alleen het kind met het badwater weg, maar haalden de reformatoren zelfs de fundamenten onder hun eigen positie weg. Want historisch gezien is de Bijbel niet de bron voor het Christelijk geloof geweest, maar juist een product ervan. De rollen waren omgekeerd. De geloofsopvattingen en aloude, traditionele rituelen waren er vóór de boeken. De boeken legden een levende practijk vast en brachten niet voor het eerst een unieke openbaring voor de gelovigen. De positie van de Bijbel werd ernstig overschat door de Protestanten. In het licht van hun tijd is dit echter wel te begrijpen. De catholieke kerk had zich nu eenmaal getransformeerd tot een grootmacht van uitzuigers, hypocrieten en tyrannen die een grondige bestraffing verdiende. Ja, het krioelde van de uitwassen en de misbruiken in Christelijk Europa. Maar het was een onterechte noodgreep van Luther om daarom maar op zoek te gaan naar een heel smal en lekker veilig fundament, zoals de Bijbel. Dat was een grove miskenning van het omvattende aandeel van de traditie in de kerkelijke gemeenschap. En dat is dus het tweede nadeel van de Reformatie geweest.

Een en ander klinkt misschien wat abstract en overdreven, maar is nochtans de wortel van menig geschil ook in deze eeuw. Het biedt het bovengenoemde kader waaraan behoefte is. Traditionaliteit en rationaliteit verhouden zich namelijk omgekeerd evenredig tot elkaar: als de één groeit, neemt de ander af en zwelt de ander, dan krimpt de één. De theologische geschiedenis van het Christendom is in grote lijnen te zien als het groeien van de rationaliteit boven de traditionaliteit. De verwarring die ontstaat wanneer dit níet onderkend wordt blijkt bij gelegenheden als het huwelijk tussen prins Maurits en Marilène van den Broek, waarbij het oude geschil tussen de leer van de transsubstantiatie en de consubstantiatie weer van stal werd gehaald. Wat getouwtrek in de dagbladen en opinieforums deed de duidelijkheid geen goed. In werkelijkheid is het heldere twee-dimensionele kader traditie-ratio een must en de sleutel tot de oplossing. Het standpunt van de Rooms-Catholieke kerk is traditioneel en niet rationeel, het standpunt van de Protestantse kerk is niet traditioneel, maar rationeel. Het brood en de wijn worden tijdens het ritueel niet het bloed en wijn van Jezus van Nazareth, maar blijven gewoon brood en wijn - dat is rationeel. Maar toen Jezus het heilig avondmaal met zijn leerlingen vierde heeft hij zonder twijfel zelf geloofd en bedoeld dat de transformatie in zijn eigen vlees en bloed wel degelijk plaats zou hebben en de hele vroege kerk geloofde dat met hem. In de Oudheid was het in verschillende mysteriegodsdiensten een vast onderdeel dat bij de maaltijd ritueel het lichaam van de overleden godenzoon geconsumeerd werd. Brood en wijn veranderden op magische wijze in het lichaam van de god, omdat de god een vegetatiegodheid was. Als generatoren en stimulatoren van de granen en druiven werd geloofd dat Dionysus, Atthis, Adonis, Tammuz, Osiris en dus ook de Messias-Verlosser die door de Nazarenen vereerd werd in de granen en druiven zelf huisden en die gestalte hadden. Deze goden waren in zekere zin zelf een korenaar of een wijnrank. En het is niets minder dan deze vaste overtuiging en dit ontwijfelbaar geloof door de hele Oudheid heen dat door de Rooms-Catholieke kerk wordt verdedigd wanneer zij de transsubstantiatie leert.

Het gaat niet aan wie gelijk heeft zolang er geen keus gemaakt wordt tussen traditionaliteit en rationaliteit. Wil men de traditionele leer handhaven, dan blijkt het geloof onlogisch en onbegrijpelijk. Maar wil men een rationele leer ontwerpen, dan blijkt deze onverzoenlijk met de vroegere bronnen van het Christelijk geloof en ook wel erg abstract. In feite bestaan beide aspecten niet zonder elkaar. Immers: élk rationalistisch geloof heeft een tijdgebonden aspect, omdat het door mensen verwoord en bedacht wordt, die zelf onderhevig zijn aan de invloeden van hun tijd. En élk traditioneel geloof heeft een rationeel aspect, omdat ook chaos een mate van rationaliteit is. De oplossing van het vraagstuk ligt in het volgende.

De verhouding tussen rationaliteit en traditionaliteit is omgekeerd evenredig. Een sterk doordacht en doorwrocht kloppend en logisch stelsel, zoals de leer van Johannes Calvijn, heeft veel historisch materiaal moeten weggooien en onjuist verklaren. Het kent - anders gezegd - weinig bronnen. Een minder rationeel opgezet systeem, dat daarom dus niet minder rijk hoeft te zijn, bevat veel meer materiaal, meer folklore, meer verhalen. Een voorbeeld daarvan is de religie van de oude Scandinaviërs, zoals die in de Edda naar voren komt. Een ondoorgrondelijke warboel, maar wel een kleurrijk feest van mythen, riten en symbolen. Dus heel rationeel en weinig traditioneel of omgekeerd. Een dergelijk verband heet in de wiskunde een omgekeerd evenredige kromme en kan grafisch worden weergegeven in een Cartesiaans coördinatenstelsel.

Waarom bestaat dit verband? Zou het niet mogelijk zijn dat een religie beide aspecten in gelijke mate bevatte? Misschien wel, maar in de geschiedenis van het Abrahamitisch geloof is het zo niet gegaan. De hele mensheid doorloopt een unidirectionele ontwikkeling van een magisch of mythisch wereldbeeld naar een logisch en verstandelijk wereldbeeld. Dit berust gewoon op waarneming en is een onweerlegbaar feit. De afname van het belang van de traditie in de loop van de tijd is een noodzakelijk gevolg van het groeiend besef van rationaliteit, een noodzakelijk tol, zou je kunnen zeggen, een offer. De omgekeerd-evenredigheid van traditie en ratio is daarom in de geschiedenis van de mens zoals die tot nu toe geweest is een absoluut gegeven.

Dit model is niet alleen makkelijk om een helder licht te werpen op de diepste ondergrond in de meeste kerkelijke disputen en geschillen, maar biedt nog een ander verrijkend inzicht. Dit inzicht wordt ontleend aan de wiskunde. Het product van beide factoren in een relatie van omgekeerd-evenredigheid is constant, hoe men beide factoren ook verdeelt. Analoog betekent dit dat het product van een historisch geloof evenmin wisselt. De dosering waarin traditie en rationaliteit worden samengevoegd heeft geen invloed op het uiteindelijke product. En dit constante product is de graal van elke theoloog: het is het 'waarheidsbegrip'. Een absolute en volkomen rationele waarheid is voor een mens per se nooit te kennen, zoals in Zen-Buddhisme én bij menig Christen-mysticus wordt onderkend. Alleen door een bepaalde gedachte uit te spreken wordt aan deze gedachte vorm gegeven en heeft zij een historisch, traditioneel karakter gekregen. Dat betekent dat de mens geen andere waarheid kan kennen dan een waarheid die het product is van een deel traditie en een deel logica. De waarheid waarnaar wij zoeken blijkt dus constant of onveranderlijk te zijn, hoe beide elementen ook verdeeld worden. En het is deze curieuze constatering die bij voorbeeld het geschil tussen Protestant en Katholiek op wel heel onorthodoxe wijze oplost. Het doet er dus kennelijk niet toe! De waarheid is een dienaar van de mens.

M. A. van der Sluijs

Wijnmaand 1998