het atheïsme verdedigd
geen tijdsdiepte
Josh McDowell houdt in Jezus; feit of fictie? een krachtig pleidooi voor de waarheid van het Evangelie. Hij doet dit door verschillende onafhankelijke vragen zo aan elkaar te koppelen dat slechts één conclusie overblijft. Dit blijkt het sterkst in het archimedisch punt van zijn betoog: de drieslag dat Jezus met zijn claim ofwel een leugenaar ofwel een krankzinnige ofwel God geweest moet zijn. Zo'n manier van redeneren is sterk manipulerend en suggestief. Op het oog is ze waterdicht, maar ze gaat voorbij aan tijdsdiepte.
Typerend voor de meeste verdedigers van het Christelijk geloof is het volstrekt anachronistische redeneren. Men plaatst Bijbelteksten en algemeen wijsgerige uitspraken klakkeloos van het ene tijdvak in het andere zonder rekening te houden met de ongekende kloof tussen de menselijke wereldbeschouwing in de Oudheid en die in de Nieuwe Tijd. Een bewering als 'vergeving van zonden' had pakweg 3000 jaar geleden een volslagen andere betekenis dan nu. Zo vreemd en ongemakkelijk als het voodoo-geloof in West-Afrika ons Westerlingen voorkomt, zo vreemd was het geestelijk klimaat in de Romeinse keizertijd zeker ook ten opzichte van het moderne denken. Deze bewering is waardenvrij en stelt de ene cultuur niet boven de andere. Ze geeft alleen aan dat we moeten oppassen met het trekken van conclusies. Met dit inzicht en een grondige bestudering van menselijke religies wereldwijd is het klip en klaar dat de Protestantse doctrine onhoudbaar is, al markeerde ze dan ook een cruciale periode in de cultuurgeschiedenis.
historisch leren denken
Het is dus van het grootste belang dat alle beweringen en alle rituelen tegen de achtergrond van hun ontstaan en hun ontwikkeling bekeken worden. Het is vrij zinloos om op zoek te gaan naar de waarheid van een begrip dat in de lucht hangt. De ware betekenis van elk begrip ligt gewoon in de herkomst en latere aanpassing door traditie. Een simpel voorbeeld kan dit duidelijk maken. Voor een katholieke gelovige is de maagd Maria van het allergrootste belang. Zij is niet alleen de schoonste en mooiste Creature die ooit bestaan heeft, ze is ook een onmisbare gids en steun in het leven. Dit is een kerkelijk leerstuk. Hoe kan men zoiets nu ooit staven of tegenspreken? Hoe benader je zo'n geloofsbewering?
Door te kijken naar de herkomst van het idee. En dan blijkt het volgende. Terwijl Maria in het Nieuwe Testament nog maar een heel zijdelingse rol speelde, nam haar betekenis een paar eeuwen na het ontstaan van de Christelijke kerk hand over hand toe. Haar cultus groeide in feite boven die van Jezus en vele heiligen uit en begon sterk te domineren. De oorzaak hiervoor was het voormalige heidense geloof van de Europese Christenen. In dat geloof speelde de Moedergodin - zeg maar Diana, Venus of ook Vrouw Holle - een hoofdrol. De bekering tot het Christendom was een proces van ettelijke eeuwen, waarbij het Christendom veel elementen van het heidendom opzoog en dus ook zelf veranderde. Dit is de feitelijke gang van zaken geweest. Iemand die nu als theoloog op zoek is naar de waarde van het Maria-dogma, moet constateren dat Maria in het oorspronkelijke Christelijke geloof niet erg belangrijk was.
Het is nu deze manier van denken die de Christelijke leer ondermijnt. Wanneer namelijk de waarheid gezocht wordt in de oorspronkelijke versie van het Christendom, zonder latere invoegingen, dan blijkt dat het oorspronkelijke Christendom weer niets anders is dan een bijgewerkte versie van het Rabbijnse Jodendom. En op zijn beurt is het Rabbijnse Jodendom weer ongemerkt en geleidelijk ontstaan uit het oud-Hebreeuwse natuurgeloof, dat zelf weer voortgevloeid was uit een uiterst primitief natuurdenken stammend uit de Steentijd. Alle historische religies zijn betrekkelijk, omdat ze alleen zinvol zijn voor de tijd waarin ze ontstaan. Ervoor en erna zijn de bijbehorende denkbeelden niet op hun plaats en vreemd. En ook alle niet-historische stelsels, zoals het Platonisme, vertonen alle kenmerken van hun ontstaanstijd en zijn daarom gedateerd. Een religie die echt de claim van maximale waarheid wil hebben, kan in principe niets inhouden. En daarom is het dat in het Zen-Buddhisme het stilzwijgen als de hoogste wijsheid wordt beschouwd - een opvatting waar trouwens ook de Prediker zich in gevonden moet hebben.
de essentie van het Protestants Christendom
Natuurlijk kan men een bolwerk van filosofie en traditie als het Protestantisme niet in een enkele zinsnede ontleden. Toch kan men stellen dat het absolute geraamte van deze vorm van Christelijk geloven tamelijk eenvoudig is. Het is ook dit geraamte dat door Josh McDowell als onderliggend programma van zijn betoog wordt gebruikt. Het bestaat uit drie onafhankelijke stellingen:
De Bijbel is absoluut betrouwbaar en gezagdragend.
Volgens de Bijbel beweerde Jezus zelf dat hij één met God was.
Jezus was ook één met God en loog dus niet.
Wanneer alle drie beweringen juist zijn, is er maar één conclusie mogelijk: Jezus was God op aarde. En dan volgt de verdere omkleding van het Evangelie.
Je zou kunnen zeggen dat alle Katholieke en Protestantse Christenen instemmen met en , terwijl ze over van mening verschillen. Fundamentalisten handhaven de absolute inspiratie van de Bijbel als het Verbum Dei, terwijl anderen de Bijbel weliswaar ook gezag toekennen, maar toch geen absoluut gezag; voor hen betreft het 'gewoon' een waardevol tijdsdocument. Bestrijders van het Christelijk geloof hebben alledrie de punten aangevochten. Een veel gebruikte redenering probeert aannemelijk te maken dat Jezus zelf nooit beweerd heeft dat hij God was, maar alleen aanstuurde op verzoening met God. Deze visie heeft als voordeel dat de status en het gezag van Jezus bewaard blijven, terwijl de dogmatiek rondom de persoon van Jezus overboord gezet kan worden. Zo ongeveer alle denkbare standpunten zijn al sinds het vroege begin van de kerk naar voren gebracht en in het hele debat is gewoonlijk weinig nieuws onder de zon. Het is alleen de historische benadering van het geloof, zoals hierboven uitgelegd, die vóór de Verlichting weinig toegepast werd. Dit heeft alles te maken met de complexiteit van het debat. Maar het is kiezen of delen: wie een gerechtvaardigde mening wil ontwikkelen, moet enige diepgang niet schuwen.
Hoe komt men nu tegenover deze drie stellingen te staan vanuit zo'n historische benadering van het geloof? Alsvolgt:
De Bijbel is zeker niet absoluut gezagdragend. Hij is een onmisbare en buitengewoon boeiende historische bron, maar is toch schatplichtig aan de tijdgeest van het eigen ontstaan en is bovendien niet neutraal, maar propagandistisch opgezet. Gevoegd bij de waarneming dat het hele idee van de Nieuw-Testamentische canon sowieso niet authentiek Christelijk is, leidt dit tot een relativerende kijk op de Bijbel.
Je kan pas goed begrijpen wat Jezus bedoelde over te brengen wanneer je het een en ander weet van vergelijkende godsdienstwetenschappen. En hier schuilt het grote mankement, óók van de meeste theologen (sic!). Jezus beschouwde zich niet als fysiek gelijk aan God, maar had een manier om met God verenigd te worden, een manier die ten dele speciaal Messiaans was en ten dele voor alle mensen haalbaar. Deze visie was beslist niet origineel, maar bestond al eeuwen lang en bij volken over de hele wereld. Het belang van Jezus' boodschap lag dan ook niet zozeer in de inhoud, als wel in de reikwijdte die hij eraan toekende. Dit alles wordt hieronder uitvoeriger toegelicht.
Jezus was niet één met God, omdat het onwaarschijnlijk is dat God bestaat en omdat er geen enkele reden is om aan te nemen dat God als hij al bestond mens zou worden. Het Messiaanse geloof waar Jezus zich op baseerde was op heel andere zaken gegrondvest dan wij ons doorgaans bewust zijn. Daarmee was Jezus niet krankzinnig of leugenachtig, zoals Josh McDowell wil, maar daarmee handelde hij geheel naar eigen inzicht en beste kunnen binnen de kaders van zijn tijd op eminente wijze volgens een bestaand protocol. Het gaat toch ook niet aan om een Siberische shamaan gestoord te noemen, die elk jaar op een ladder met zeven treden klimt om de Zonnegod te ontmoeten? Zo'n shamaan staat nu eenmaal in een andere traditie. Binnen McDowell's drieslag was Jezus inderdaad fout, zo men wil, maar daarmee is niets te zijnen nadele gezegd. Waarschijnlijk had niemand toentertijd anders gekund.
De punten en worden toegelicht.
antiek en klassiek denken
Het denken in de Oudheid verschilde radicaal van het latere, klassieke denken. De kloof is zo groot, dat het dienstig is om onderscheid te maken tussen de 'antieke' visie en de 'klassieke', latere visie. Daarbij is het opvallend dat alle volken wereldwijd globaal dezelfde ontwikkeling doormaken van antiek naar klassiek. In Europa voltrok de ontwikkeling zich grofweg vanaf -500 tot 500, hoewel resten van het antieke denken tot op heden voortleven. Zaken zoals het vieren van jaarfeesten en de toepassing van magie stammen nog rechtstreeks uit de antieke tijd.
Het kernachtige verschil tussen antiek en klassiek denken ligt in de benadering van het verschijnsel geschiedenis. Het kost enige moeite om dit te begrijpen, maar is uiteindelijk wel voorstelbaar. In de antieke tijd was het hele leven doortrokken van religie. De mens zag alles wat er was als een afschaduwing van de godenwereld. Alle culturele verschijnselen én natuurlijke verschijnselen waren alleen interessant wanneer ze een hemels archetype hadden. Die hemelse archetypen waren daarom de essentie van het hemelse bestaan. Ze werden doorgegeven in de vorm van (1) verhalen oftewel mythen, (2) symbolen oftewel geschriften en afbeeldingen, en (3) naspelingen oftewel rituelen en feesten. Werd er een stad gebouwd, dan gebeurde dat precies zo als men zich de hemelse stad voorstelde: in de vorm van een cirkel, met in het midden de koning, verdeeld in vier kwarten, die eigenlijk rivieren zijn. Wilde men koning zijn, dan imiteerde men alles wat ook de Zonnegod eigen was: een mantel om, een staf in de hand, een lange baard, een hoed op, op een troon gezeten in het midden van het land, en - oorspronkelijk! - een vroegtijdige dood in de kracht van zijn leven. Al het doen en laten van de mens was doortrokken van verwijzingen naar het hiernamaals of de godenwereld.
archetypen
Omgekeerd betekende dit dat alleen die zaken zin hadden waar een archetype voor te bedenken was. Een stier was belangrijk, omdat de Zonnegod de gestalte van een stier had. Een varken was belangrijk, omdat de Zonnegod na zijn vernedering in de vorm van een varken op de vlucht sloeg. Een berg was belangrijk, omdat hij deed denken aan de Hemelberg. Maar allerlei alledaagse voorwerpen en incidentele meningen en gebeurtenissen waren voor de antieke mens betekenisloos en zinloos. Een afzonderlijk individu was niet interessant voor zover zijn leven geen gelijkenis had met dat van de Zonnegod of de Oorlogsgod. Geschiedschrijvers schreven geen menselijke handelingen op, waar toch geen betekenis in lag, maar schreven alleen de handelingen van de goden. Een leven waarin alle zin verleend werd door de archetypische godenwereld.
De vraag klemt waar die archetypische ideeën dan wel niet vandaan kwamen. Waren ze door iemand bedacht en doorgegeven? Of zaten ze in de structuur van de menselijke geest latent te wachten om zich honderd, duizend keer opnieuw te manifesteren, zoals Jung, Freud en Campbell menen? Het antwoord wordt gegeven door de oude culturen zelf, die door hun geschriften tot ons spreken. Alle antieke kennis over de godenwereld was gebaseerd op waarneming en interpretatie van waarneming. Alle oude goden, waar ook ter wereld ze vereerd werden, waren in oorsprong verwijzingen naar de planeten in het heelal, en in later tijd als transmutaties hiervan naar andere levende en dode natuurverschijnselen. Dit is een ondubbelzinnig feit. Ons spreekt het meest de Romeinse godenwereld aan, waarin de Zonnegod Saturnus, de Godenzoon Jupiter, de Oorlogsgod Mars en de Moedergodin Venus nog dezelfde namen dragen als de planeten waar ze betrekking op hebben. Maar ook in het oude Israël is het godenbegrip op die manier tot stand gekomen. Zoals blijkt uit Phoenicische en Joodse bronnen was Elohim de planeet Saturnus, Jahwe de planeet Jupiter, Lucifer de planeet Mars en Astarte de planeet Venus. De godenverhalen zijn uiteindelijk ontstaan als beschrijvingen van het gedrag van deze planeten, door de mond van eenvoudige Steentijd-mensen die naar de lucht keken. Op zoek naar passende omschrijvingen voor wat ze zagen gebeuren in het hemelruim vergeleken ze de planeten met supermensen, dieren en planten. Een langsvliegende komeet werd gememoreerd als een hemelse slang die de tuin van Saturnus binnenviel. De oplichtende Melkweg was een brug waarover de goden zich bewogen van hier naar daar. Deze verklaring van de kosmos als ontstaanspunt van de mythen en religies is nog vrij jong. Ze is op excellente wijze verdedigd in Hamlet's Mill door De Santillana en Von Dechend, waarin ook verdere litteratuur te vinden is.
De antieke mens dacht alleen maar in analogieën en associaties. Dat was de wetenschap van die tijd: twee dingen die op elkaar leken moesten in feite hetzelfde zijn. Als je water uit een gieter goot dwong je de natuur als het ware om te regenen: het gelijke lokt het gelijke uit. Vandaar de regendansen. Als je een poppetje van iemand met naalden doorprikte, kon je erop rekenen dat die persoon zelf ook door priemen ging sterven. Vandaar de magie en toverij. En als je in de functie van koning de Zonnegod nabootste, zoals elke koning op aarde toen deed, ging je ziel na je dood óók over de Melkweg, net zoals Saturnus indertijd. Losse historische daden, die geen religieus archetype hadden, werden in het jargon van die tijd zonde genoemd, alles wat een hemels voorbeeld had was op de weg van de Heer. De begrippen goed en kwaad hadden in het antieke denken dus weinig of niets met ethiek te maken, maar alles met mythische archetypen.
het historisme
De antieke tijd was bezeten van een onvoorstelbare logica. Deze logica werd geleidelijk doorbroken in de loop van het eerste millennium vóór Christus. Er kwam een proces op gang, waarbij mensen leerden om ook waarde toe te kennen aan incidentele historische daden en incidentele verschijnselen. Er kwam een losmaking van het archetypische idee op gang. Dit proces kunnen we het historisme noemen: geschiedenis ontstond. Het kwam tot stand doordat het type van de shamaan of medicijnmeester een nieuwe functie op zich nam: die van de profeet. Er stonden mensen op die in historische ontwikkelingen de afschaduwing konden zien van hemelse besluitvormingen. Deze schouwers onthulden de mensen dat ook buiten de mythologie een zinvol leven was te leiden. In Griekenland kon zo de Trojaanse Oorlog volledig geïnterpreteerd worden als de strijd tussen Ares en Aphrodite. In Israël legden profeten de link tussen de Assyrische en Chaldeeuwse deportatiepolitiek en de relatie tussen Jahwe en Israël. De opkomst van het historisme kan wel worden beschouwd als de grootste revolutie die de mensheid ooit heeft doorgemaakt. Daarbij werden de betekenissen van termen als 'zonde' en 'heil' verlegd van het oorspronkelijke, archetypische veld naar ethische, moralistische waarden.
Men gooide nooit wat weg in de Oudheid. Daarom bleef al het oude voortbestaan, ook in het nieuwe denken. De voorstellingen over het hiernamaals, de rituele kalender, de geboorte-, trouw- en begraafrituelen, kunsten, ambachten en talen - alles bleef en kreeg alleen een nieuwe betekenis. De opkomst van een nieuwe stroming betekende in de Oudheid geen afschaffing van een oude stroming, maar alleen een herinterpretatie. Zo kon het gebeuren dat het oude Voorjaarsfeest om op magische wijze de komst van de Lente af te dwingen werd geherinterpreteerd als het feest ter herdenking van de uittocht uit Egypte: Paasfeest dus. En zo kon het gebeuren dat het verschijnsel oorlog niet langer werd gezien als een naspeling van de hemelse strijd die ooit tussen de Slang, de Godenzoon en de Oorlogsgod gevoerd was, maar als een middel om land te veroveren op de buurstaat.
In de tijd van het historisme ontstonden de grote soteriologische of bevrijdingsgodsdiensten: Buddhisme, Jodendom en Christendom zijn de voornaamste. Nog volgens het antieke systeem impliceerde de waardering van de afzonderlijke historische daad een moraal en dus een manier om maximaal in de wegen van de Heer te wandelen. Naar het antieke model stelde men zich dit voor in termen van imitatie. Zoals ook ooit de Oorlogsgod dan wel de Godenzoon geleefd had, zo moest ieder mens proberen te leven. En hoe meer je eigen leven voldeed aan de mythografische biografie van die god, hoe volkomener je was. De oude Germanen en Kelten deden met Kerst een wolvehuid om en trokken huilend en plunderend door de omgeving. Ze deden dat omdat hun grote voorbeeld Wodan, die de Oorlogsgod was, dat eveneens gedaan had. Tijdens dat 'spel' beschouwde elke man zichzelf als identiek met de wolf Wodan. Evenzo beschouwde elke koning in de Oudheid zichzelf als niemand minder dan de Zonnegod Saturnus, namelijk omdat hij Saturnus imiteerde. De goddelijke status van de Egyptische farao's en later de Romeinse keizers gaat rechtstreeks op dat idee terug, evenals het gegeven dat in Israël elke koning als Messias beschouwd werd. Nieuw in de bevrijdingsgodsdiensten was de sterke nadruk op moraal en humaniteit en de wens om een sluitende verklaring te geven van het handelen der goden met de wereld, doorzichtig ook voor de mens.
de rol van Jezus
En hier hebben we dan de sleutel tot de oplossing van het vraagstuk rondom Jezus. Zoals onder elk volk in het Nabije Oosten leefde ook onder de Joden rond het jaar nul de archetypische mythe van de Godenzoon. In deze mythe werd gememoreerd hoe in de hemelse Stad door de Zonnegod en de maagdelijke Moedergodin de Godenzoon werd verwekt; hoe deze op jeugdige leeftijd moest vluchten voor de Oorlogsgod; hoe hij korte tijd koning was; hoe hij aan de Levensboom werd opgehangen; hoe hij stierf en na drie dagen weer tot leven kwam; en hoe hij opsteeg in de hemel. Deze mythe werd van ouds her verteld over de goden Tammuz, Adonis, Dionysus, Buddha, Quirinus, Atthis, Indra, Krishna, Zoroaster, Mithra en vele anderen.
Wie was nu Jezus? Jezus was een mens die zijn leven welbewust inrichtte naar de archetypische mythe van de Godenzoon. Dit was in zijn cultuur de heiligste daad die maar denkbaar was. Door de Godenzoon te imiteren was hij op magische wijze volkomen identiek met de Godenzoon, geheel volgens het antieke denken. In zijn leer hield hij de mensen voor dat ze allen zonen van God konden worden door op humane wijze te leven. Dat moralistische in zijn leer treedt ook op in het Buddhistische systeem. Na zijn dood werd zijn levensverhaal ideologisch aangevuld en aangezuiverd volgens het model van het archetype. Zo ontstond een beeld dat in de antieke wereldbeschouwing ideaal was. Nieuw in het Christendom was de uniciteit die werd toegekend aan Jezus' imitatie van de Godenzoon.
Welke gevolgen brengt dit met zich mee voor het betoog van Josh McDowell? Het is het beste dit stapsgewijs aan de orde te stellen.
In hoofdstuk 1 toont Josh aan dat Jezus zichzelf wel als God beschouwd moet hebben. Hiermee stem ik in, met inachtneming van het boven gezegde.
In hoofdstuk 2 geeft Josh de drieslag dat Jezus door deze claim ofwel een leugenaar ofwel geestesziek ofwel werkelijk de zoon van God geweest moet zijn, maar geenszins zomaar als een 'groot leraar' beschouwd kan worden. Hij heeft daarin gelijk, maar maakt de discussie plat door de historische dimensie niet in aanmerking te nemen. De werkelijkheid moet in de categorie 'geestesziek' liggen, al moet dat woord dan vervangen worden door 'onderhevig aan een andere tijdgeest'.
Hoofdstuk 3 is zonder meer een juweeltje. Mensen zouden zich eens vaker moeten realiseren dat het zogenaamde natuurkundige bewijs in historisch-godsdienstige kwesties geen pas geeft.
Ook met de inhoud van de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7 kan ik volkomen accoord gaan. Wie goed nadenkt over de omstandigheden in de eerste eeuw na Christus en de bestaande bronnen in ogenschouw neemt, kan alleen maar concluderen dat de apostelen oprecht geloofden dat Jezus was opgestaan uit de dood en dat voor de vertellingen van het Nieuwe Testamenten goede verklaringen gezocht moeten worden. Ze moeten zich in zekere zin zo voorgedaan hebben als in de Evangeliën vermeld.
In hoofdstuk 8 gaat het mijns inziens mis. Het is inderdaad niet gemakkelijk om een andere verklaring voor het opstandingsverhaal te vinden dan wat door de Christelijke kerk geloofd wordt. En toch bestaan er goede aanwijzingen voor het volgende scenario:
De vroeg-Christelijke gemeenschap is ontstaan binnen de Joodse secte van de Essenen. Dit was een typisch 'geheim genootschap', waarbinnen leerlingen door het opklimmen in enkele graden ingewijd konden worden in een bepaalde mystieke leer. De algemene gang van zaken in dergelijke genootschappen is grondig bestudeerd door Mircea Eliade, de grootste godsdienstwetenschapper van deze eeuw. Mannenbonden en cultische gemeenschappen waren in die tijd een universeel verschijnsel, denk aan de Griekse mysteriediensten, de Perzische Mithra-mysteriën, de oud-Germaanse krijgersgenootschappen en veemraden, en de mannenbonden bij Indianen, Negers, Australische Aborigines en waar ook ter wereld.
In dergelijke genootschappen speelt de initiatie of inwijding een centrale rol. Door een symbolisch sterven en weer opstaan verkrijgt men een hogere graad. Daarbij is traditioneel het sterven en herleven van de archetypische Godenzoon het mythische voorbeeld en de religieuze achtergrond van het geheel. Het ontgroenen van studenten in de West-Europese studentensteden is een allerlaatste overblijfsel uit de tijd dat inwijdingen in alle mogelijke sociale structuren schering en inslag waren. Zo ook bij de Essenen. Wat sterk opvalt in de Evangelieverhalen is de waas van geheimzinnigheid die rondom Jezus' activiteiten hing. Hij sprak in gelijkenissen opdat alleen de goede verstaanders zouden weten waarover het ging. Hij had leerlingen in engere en in bredere zin. Hij schoolde zijn discipelen in een min of meer geheime leer. Dit alles maakt in de context van die tijd volkomen duidelijk dat Jezus een Esseense leermeester was, evenals Johannes de Doper voor hem, die - anders dan zijn voorgangers - het heil van het inzicht aan álle mensen wilde verkondigen en niet langer tot een kring van ingewijden beperkt kon houden.
Tegen de achtergrond van de bestaande Joodse religie in die tijd kon een dergelijke leraar alleen maar invloed verwerven als hij zich de rol van Messias aanmat. En dat is dan ook gebeurd. Practisch onderwijs en genezingen zoals ook andere Rabbijnen die uitoefenden werden onderdeel van Jezus' werkzaamheid. Wat wij nu als psychotherapie zouden betitelen werd toen gezien als de krachtdadige werking van het geloof.
De opstanding uit de dood valt in mijn optiek onder de categorie die Josh 'schijndood' noemt. In zijn boek Jezus leefde in India; nieuwe onthullingen over zijn leven voor en na de kruisiging (Deventer, 1990) toont Kersten aan dat het drinken van een aftreksel van de zogenaamde soma-plant een zeer diepe verdoving tot gevolg heeft die twee tot drie dagen aanhoudt. Het effect is zo sterk dat zelfs de hartslag in die tijd niet meer voelbaar is. Dit was met name in India bekend, waar de plant in de mythologie een traditionele en heel belangrijke rol speelde als het voedsel der goden, ongeveer te vergelijken met het manna in de Joodse religie. De sterke uiterlijke verwantschap tussen mystieke en ascetische secten in het hele Midden-Oosten, die op allerlei fronten blijkt, suggereert dat ook het gebruik van zulke middelen heel goed bekend geweest kan zijn onder de Essenen. Het is dan denkbaar dat de edik die Jezus aan het kruis werd toegediend was aangelengd met een elixir van soma, en wel door een onbekende ingewijde die bij het gebeuren aanwezig was.
Hoe wonderlijk dit alles ook klinken mag, we mogen niet vergeten dat we over een tijd spreken waarin de mensen graag een steentje bijdroegen aan de verwezenlijking van welke profetie dan ook. Van oorsprong was het zelfs de essentie van de Israëlitische toekomstvoorspelling dat mensen er zelf zorg voor droegen dat de profetie uitkwam!
De redenering in hoofdstuk 9 lijkt sterk, maar doet in werkelijkheid helemaal niet terzake. In de eerste plaats worden veel zogenaamd profetische teksten uit het Oude Testament uit hun verband gerukt zodra men ze als toekomstvoorspelling wil beschouwen. Daarnaast zijn ze dikwijls nogal ruim te interpreteren. En ten slotte heeft het er alle schijn van dat Jezus doelbewust is afgekoerst op de vervulling van de Messiaanse profetieën. Dit is niet zo onmogelijk als Josh daarover schrijft, omdat de zogenaamde oncontroleerbare elementen uit de biografie van de Messias in werkelijkheid gewoon de omstandigheden waren die het voor Jezus überhaupt mogelijk maakten om zich de rol van Verlosser aan te kunnen meten. Was hij bijvoorbeeld geen nakomeling van koning David geweest, dan zou zijn afstamming simpelweg niet gebruikt zijn als argument om aan te tonen dat hij de Messias was.
De hoofdstukken 10 en 11 behoeven geen nader commentaar.
Zo blijkt het gegeven waarop het hele Christendom steunt lineair voort te zijn gekomen uit archaïsche ideeën, geheel parallel aan ontwikkelingen elders in de wereld. En omdat de ontwikkeling van het antieke denken naar het Christelijk stelsel niet meer is dan een fase in de uiteindelijke ontwikkeling naar het kritisch rationalisme, zoals door Karl Popper geformuleerd, kan haar nauwelijks grotere waarde worden toegekend dan haar betekenis voor de herkomst van onze eigen ideeën. Normatief kan de 'oorspronkelijke' Christelijke leer echter nooit meer zijn, omdat ze anachronistisch is.
Alleen al het simpele gegeven dat wij de planeten nu beschouwen als gasreuzen of rotsformaties en niet als levende, scheppende goden maakt een einde aan alle traditionele godsdiensten en culturen die tot nu toe bestaan hebben. Simpelweg omdat al die godsdiensten en culturen op dat ene gegeven gebaseerd waren. Buiten dat uitgangspunt is er geen enkele aanleiding om aan een bovennatuurlijke wereld te denken. De fantaserende psyche, de ongrijpbaarheid van de menselijke ziel, de onverklaarbaarheid van de herkomst van het heelal en allerlei ethische vraagstukken zoals de rechtvaardigheidsroep zijn weliswaar factoren van belang geweest in de practijk van het geloof, maar ze waren nooit een voedingsbodem. Ze werkten katalyserend op reeds bestaande ideeën. Maar zonder de kosmos als uitgangspunt voor religie hadden ze nooit tot de ideeën en stelsels geleid die het leven van de mensen altijd beheerst hebben. Zonder de sterren en planeten als de oorsprong van de menselijke 'goden' had de mensheid nooit het beschavingspeil ontwikkeld dat hij thans heeft en zou hij mogelijk nog in de Steentijd geleefd hebben.
M. A. van der Sluijs
Lentemaand 1999