Willem en Madoc
DE VRAGEN
Eén van de hoogtepunten uit de Middeleeuwse letterkunde van het Nederlands, het epos rond Reintje de Vos, is nog altijd met een waas van geheimzinnigheid omgeven. De allegorie en het verloop van het verhaal mogen duidelijk zijn, maar de formele litterair-historische kant laat nog veel vragen open. Voor welk publiek werd het geschreven, de burgerij, de adel of zelfs de geestelijke stand? Heeft er een anderstalig origineel voor het verhaal bestaan? En wie was de schrijver ervan?
De laatste van deze vragen wordt in de proloog van Van den vos Reynaerde feitelijk beantwoord. De roemruchte openingsregels introduceren de auteur alsvolgt:
Willam die Madock maecte
daer hi dicke om waecte
hem vernooide so haerde
dat die avonture van Reinaerde
in dietsche was onvulmaket bleven
Ene Willem betreurde het ontbreken van een schriftelijk verslag rondom het leven van Reinaard en heeft hierin daarom zelf voorzien. Als nadere toelichting op zijn naam wordt gezegd dat hij ook de maker van 'Madoc' was. Deze ene aanwijzing was voor de contemporane lezers blijkbaar voldoende om te weten wie het hier betrof. Ons plaatst het voor een tweetal kernvragen. In de eerste plaats: wat wordt hier met 'Madoc' bedoeld? De schrijfwijze met capitale letter geeft aan dat het om de titel van één van zijn oudere boeken gaat, waarbij 'Madoc' tevens de naam van de hoofdpersoon in dat boek is. Wat is er bekend over dit oudere werk? Zoveel is duidelijk dat de gegevens rondom Madoc zelf té speculatief zijn om ons te helpen bij het beantwoorden van de andere hoofdvraag: wie was deze Willem? In het vervolg willen we een korte weergave van onze persoonlijke opvatting bieden.
WILLEM
De welbekende magisch-realist H. Lampo heeft een uitgebreide speurtocht naar de figuren Willem en Madoc ondernomen. In zijn essay geeft hij een overzicht van de verschillende candidaten voor het schrijverschap van Van den vos Reynaerde. Vooraf brengt hij een charactermatige restrictie aan, door te laten zien dat de betreffende schrijver een erudiet, humoristisch en geestelijk volgroeid mens geweest is, die allerminst wereldvreemd was en zowel in de adellijke als in de clericale gewoonten en omstandigheden goed thuis was. Een temporele restrictie volgt uit de tekst zelf, die om intrinsieke redenen vóór de helft van de 13e eeuw geschreven moet zijn, waarschijnlijk al in de late 12e eeuw bestond. Verder valt ook een locale restrictie te verdedigen, omdat de schrijver kennelijk heel goed bekend is met de wijde omgeving van het Land van Waas, waar het verhaal zich afspeelt.
Vervolgens somt hij een aantal personen op die in de loop van de tijd voorgesteld zijn als zijnde de onderhavige Willem:
Een keus valt in dezen moeilijk te maken. We zullen op de vraag nog aanstonds terugkomen.
MADOC IN DE NEDERLANDSE LITTERATUUR
De korte verwijzing naar 'Madoc' als toelichting op de naam van Willem veronderstelt dat het om een toentertijd heel bekend werk gaat. Inderdaad wordt in de Nederlandse litteratuur een aantal malen naar dit werk verwezen. Lampo heeft de volgende referenties verzameld:
Want dit is niet Madocs droom
Noch Reinaerts, noch Arthurs boertige verhalen
Hij ontzegt hiermee elke realiteitszin aan de verhalen rondom Madoc, Reinaard en koning Arthur.
Ghi spreect dat mi int herte droeft
Noch wanic, ridder, dat ghi doeft,
Of dat ghi sijt in Madox drome.
Ook hier wordt de naam Madoc dus verbonden met een droom.
Onder een roodtse, in Madocx ol,
daer diueersche beesten hadden den bol,
zoo noch veel ezels doen, by ghedooghe,
hilt groote feeste eennen noordschen drol.
Dus ondergronds, in het hol van Madoc, organiseerde een Noorse trol een groot feest.
Ick doorkijck all omme verre ende breet
al dat hier staet als Modecex droom.
Opnieuw is hier sprake van de 'droom van Madoc', een blijkbaar nog algemeen bekende allusie in het jaar 1612.
Na die tijd moet de overlevering in de vergetelheid geraakt zijn. De latere vanzelfsprekendheid waarmee Madoc verbonden wordt met de Ierse prins die in de 12e eeuw voet aan wal zette in America, gaat veelal terug op het beroemde epos Madoc, dat Robert Southey in 1805 liet verschijnen.
MADOC IN DE CYMRISCHE LITTERATUUR
De bewerking van Southey brengt ons in Wales, waar Madoc de naam is van verschillende legendarische helden uit het volksverleden, die aan de rand van de grijpbare geschiedenis staan. Volgens de traditie twistten twee zonen van Owain Gwynned, prins van Powys of Noord-Wales, na diens overlijden in 1169 om de heerschappij. Een derde zoon, Madoc, ontvluchtte deze situatie. Een geis van een geestelijke noopte hem de Westelijke zee te bevaren en zo kwam hij aan het hoofd van een kleine vloot aan de Oostkust van Noord-America. In de latere tijd zien we een dichotomie in de ontwikkeling van het verhaal.
Enerzijds is het evident dat deze sage rondom Madoc beantwoordde aan een bestaand litterair motief en derhalve een symbolische waarde op zichzelf is gaan vertegenwoordigen. Het land waar hij geweest was werd vereenzelvigd met Avalon, het Paradijs uit de Celtische mythologie, en alle gedachtengoed dat hieraan verbonden was werd mitsdien op het land van Madoc overgedragen. Gesteld dat de Madoc uit de Nederlandse letteren inderdaad op de Cymrische Madoc teruggaat, dan past binnen dit kader het item van 'Madocs droom'. Hierbij zij dan aangetekend dat het Middeleeuwse woord 'droom' behalve 'droom' ook zoveel als 'wonderlijke omzwervingen' kan betekenen, wat hier natuurlijk op zijn plaats is. Behalve het aspect van het heerlijke land bevat het Madoc-verhaal ook het aspect van de Immram, een typisch Celtisch genre van zeereizen.
Anderzijds is ook de specifiek historische waarde van het verhaal levendig gebleven. Dit werd duidelijk in de 18e en 19e eeuw, toen men de afstammelingen van de Cymrische colonisten in Noord-America terug meende te kunnen vinden. Twee overleveringscomplexen zijn te onderscheiden. Behalve de wijdverbreide mening dat Madoc bij de Azteken was aangekomen en zich uiteindelijk in Mexico vestigde en diverse overleveringen die hem in Alabama zoeken, heeft men gewezen op de Mandan, een stam van de Sioux-Indianen in de Oostelijke staten Virginia en Carolina, wier vocabularium nogal wat treffende overeenkomsten met de Cymrische taal bevat.
Lampo staat vervolgens stil bij enkele sporen van Madoc in de geschiedenis van Wales:
Vanaf die tijd werd het land dat door Madoc betreden was al vaker verheerlijkt en uiteindelijk vereenzelvigd met America. De overlevering kwam hierdoor in sterk patriottistisch kader te staan.
IDENTITEIT VAN MADOC
De vraag doet zich voor of de Madoc uit de litteratuur van Wales dezelfde kan zijn als die over wie de Vlaamse dichter Willem een boek schreef. Wij menen van wel op grond van zowel negatieve als positieve aanwijzingen.
Het negatieve aspect van onze argumentatie komt neer op het ontbreken van een andere geldige referent voor Madoc. Weliswaar bestaat in Bergues bij Duinkerken de overlevering dat een 7e-eeuwse Madox had meegewerkt aan de bouw van een klooster en is in de Ierse geschiedenis ook een 7e-eeuwse Madoc bekend, maar beide figuren zijn te onbelangrijk en te onbekend om als hoofdpersoon in een werk van Willem gediend te kunnen hebben.
Een positieve aanwijzing is gelegen in het feit dat de Nederlandse litteratuur rijkelijk veel vertalingen van werken uit de omringende landen bevat. De Arthur-romans vormen vanzelfsprekend het beste voorbeeld. Het is heel goed voor te stellen dat het overleveringencomplex rondom de Cymrische Madoc - indirect dan wel direct - naar Nederland gekomen is; waarom Willem trouwens ook aangeeft dat het in de Dietse taal nog niet was opgetekend, blijkbaar dus in een andere taal wel.
Dat ook Willem zelf goed met Wales bekend geweest kan zijn, moge blijken uit de aanwezigheid van een Middeleeuws verhaal over Sint-Cyryan, wiens menagerie ook een vos bevatte die een rol in het verhaal speelt - deze zou als origineel voor Reinaard gediend kunnen hebben. Wel is hiertoe nodig de aanduiding Wals op te vatten als Welsh of Cymrisch in plaats van Frans, wat niet voor de hand ligt, evenwel goed mogelijk is. Naast het genoemde materiaal met betrekking tot Madoc, prins van Powys, wordt wel gewezen op de eveneens Cymrische Mabinogion, een 19e-eeuwse collectie verhalen uit de Middeleeuwen. Hierin is sprake van de droom van Rhonabwy, waarin een koning Madoc ab Marnedudd een rol speelt. Frappant is natuurlijk de relatie tussen Madoc en een droom, die we uit onze eigen traditie kennen.
Willems vertrouwdheid met de gegevens uit Wales zou verklaard kunnen worden door hem op te laten treden als een dichter, geneesheer en geestelijke - zoals Lampo beoogt. Het schijnt dat Willem deel uitgemaakt heeft van de Goliarden, een gilde van jonge studenten in de theologie die bedelend in hun behoefte moesten voorzien. Een dergelijke achtergrond past uitstekend op de gegevens die we met betrekking tot Willem hebben. Bovendien doet ze recht aan een bewering van de 12e- of 13e-eeuwse hofkapelaan Walter Map dat Willem, een jongleur-bard, connecties met Engeland gehad zou hebben. Een probleem dat door Lampo uitgebreid aan de orde gesteld wordt is helaas de betrouwbaarheid van het bewuste citaat bij Map. Nochtans blijft er veel te zeggen voor Willems affiniteit met Britannië. Alles bij elkaar is het goed denkbaar dat de bekende Cymrische prins Madoc de historische figuur achter de 'Madoc' van Willem geweest is.
RELATIE TUSSEN WILLEM EN MADOC
In 1976 publiceerde H. W. J. Vekeman zijn Willam Madock, een zelfgemaakte vertaling op grond van de originele tekst van Madoc. Hij beweert dat de verloren gewaande tekst gevonden is en tot zijn beschikking staat. Alvorens het vrij te geven voor wetenschappelijk onderzoek, wilde hij een vrije, makkelijk toegankelijke vertaling voor het brede publiek schrijven - en heeft dat gedaan. We gaan ervan uit dat hij de waarheid spreekt en werkelijk de tekst van Madoc gevonden heeft.
De tekst is in de ik-vorm geschreven, die betrekking heeft op de schrijver Willem. Deze werd meegenomen aan boord van het schip van kapitein Madoc. Het reisverhaal, dat slechts weinig tekst bestrijkt, dient als kader van de afzonderlijke verhalen die de passagiers op het schip elkaar vertellen, Madoc en Willem inbegrepen. Na een lange reis varen ze door de Leverzee - iets dat weer sterk herinnert aan de verhalen rondom de Sargassenzee bij Bermuda - om na verschillende omzwervingen in de thuishaven Gent aan te komen. De tekst legt sterke nadruk op de vertelde verhalen en licht de lezer nauwelijks in over het verloop van de reis. Vooral interessant is Madocs verhaal over zijn ontdekking van het bijzondere land Mortamor.
De natuurlijke overeenstemming in culturele context tussen deze verhalen en alles wat we rondom Willem te weten zijn gekomen is treffend. Bekende namen als Tanchelijn, Mont-Pellier, Walewein en Abaelardus komen terug. De suggestie dat Willem een geestelijke in opleiding was met een geneeskundige achtergrond wordt gestaafd. Het vermoeden dat het verhaal van Madoc een reisverslag over zee zou zijn wordt eveneens bevestigd. Weliswaar zijn er geen dringende indicaties dat het hier werkelijk om de Cymrische prins Madoc gaat, maar wél past dit verhaal uitstekend in dat kader.
Verondersteld dat de 'teruggevonden' Madoc inderdaad de oorspronkelijke Madoc bevat, dan komen we tot de merkwaardige conclusie dat Willem niet alleen over Madoc gesproken heeft, maar dat hij hem daadwerkelijk persoonlijk gekend heeft. Chronologisch is dit zeer wel mogelijk als we uitgaan van Madoc als prins van Wales in de 12e eeuw en van Willem als student-bard die onder meer door Engeland reisde. Het best valt te denken aan de Magister Willelmus Physicus, die met Gent geassocieerd wordt en in Mont-Pellier gestudeerd had. Dit is dan ook onze slotconclusie.
M. A. van der Sluijs
met dank aan
J. O. L. Lemmer
zo. 17. Wintermaand 1995
AANBEVOLEN LITTERATUUR
Deacon, R.
Madoc and the discovery of America: some light on an old controversy
; Frederick Muller, Londen, 1966Graaf, D. A. de
Willem die Madoc maecte; Stamt Willem uit Wales?; De Oer-Reinaert
; in 'Het laatste nieuws'; Brussel, 14-4-1966; 21-4-1966; 19-5-1966Lampo, H.
Kroniek van Madoc; op zoek naar een verloren epos
; Meulenhoff, Amsterdam, 1975Vekeman, H. W. J.
Madock
; Bert Bakker, Amsterdam, 1977