Als je kijkt naar de manier waarop de herkomst van een historisch verschijnsel
wordt verklaard, zie je dat geleerden het meestal oneens zijn. Verschillende
standpunten staan tegenover elkaar. Vaak staan een synchrone en een diachrone
partij tegenover elkaar. De synchrone partij wil het verschijnsel verklaren uit
contemporaine omstandigheden, die dan meestal van sociologische of
psychologische aard zijn; de diachrone partij wil het verschijnsel verklaren als
het al of niet aangepaste product van een oude traditie. In de belevingswereld
van de meeste wetenschappers zijn beide standpunten onverzoenlijk en moet er
gekozen worden.
Deze gedachte is fout en moet hoognodig verdreven worden in het belang van de
waarheid. Bijna altijd wanneer een synchrone en een diachrone verklaring naast
elkaar staan, kunnen beide tegelijk waar zijn en dit is dan de dubbele waarheid.
De oorzaak hiervan is heel eenvoudig.
Enerzijds heeft de mens een sterke behoefte om het gedrag van zijn ouders en
verdere verwanten, kortom de soortgenoten, na te bootsen. De soortgenoten reiken
dit gedragspatroon door de opvoeding reeds aan de jongere generatie aan en de
traditionele gebruiken - mythen, riten en symbolen - zijn hierbij ingesloten. De
ontvangende partij is evenzeer gemoeid met het overnemen van de oude tradities,
omdat deze tradities hun leven zin geven en een nuttig wereldbeeld vormen. Jong
en oud zijn dus gebaat bij traditie en daarmee is het belang van een diachrone
verklaring voor elk cultureel verschijnsel in principe verklaard.
Anderzijds is elk cultureel gegeven voortdurend aan verandering onderhevig,
omdat allerlei factoren - beschavingspeil, leefomgeving, bevolkingsaantal - de
maatschappij constant beïnvloeden. Geen enkel gebruik kan daarom door de eeuwen
heen precies hetzelfde ervaren worden - er is sprake van een meestal ongemerkte
verschuiving in de manier waarop mensen hun traditionele mythen, riten en
symbolen ervaren. Er bestaat altijd een bepaalde spanning tussen een traditie en
de logica en deze spanning verklaart waarom mensen soms de behoefte voelen een
bewuste logische achtergrond voor hun tradities te creëren. Dit verschijnsel is
in feite een maatschappelijke parallel voor het verschijnsel volksetymologie in
de taalkunde: een verschijnsel krijgt onder invloed van de bewustwording van de
mens een schijnbare verklaring, die niet strookt met de werkelijke historische
verklaring. Hier hebben we de bewuste verandering van traditie. Daarnaast
bestaat ook een onbewuste verandering van traditie, die nog minder dan de
bewuste door ethnologen onderkend wordt. Hierbij worden in het collectief
onderbewustzijn bepaalde gebruiken zodanig vervormd dat ze goed passen bij de
bestaande psychosociale verhoudingen. Wanneer in een maatschappij een
emancipatieproces gaande is van de vrouw ten opzichte van de man, zullen reeds
bestaande tradities vrijwel ongemerkt worden vertaald naar deze toestand.
Verhalen waarin een vrouw het wint van een man zullen populairder worden dan
verhalen waarin het omgekeerde gebeurt, met als gevolg dat de laatste
uiteindelijk uitsterven. Evenzo is te verklaren waarom een volk dat voortdurend
de strijd met het water moet aangaan vaak vooral nautische of zeegoden huldigt.
Voor dit type aanpassing van traditie bestaat een parallel in het survival of
the fittest-principe binnen het Darwinisme, de natuurlijke selectie.
Het archimedisch punt in dit betoog is dat een synchrone verklaring van een
historisch verschijnsel meestal de psychosociale achtergrond belicht zonder in
te zien dat daarmee alleen verklaard is waarom het betreffende verschijnsel
vruchtbaar of levensvatbaar is. De synchrone verklaring is een deel van de
verklaring, maar zegt niets over de aetiologie. Ze verklaart niet waar het
gebruik zelf vandaan komt. Of anders geformuleerd: wanneer bepaalde
omstandigheden een bepaald gebruik nodig hebben om zich maatschappelijk te
manifesteren, is tot in de Middeleeuwen altijd een al bestaand motief of patroon
nodig waarop zo'n gebruik geënt wordt. Er wordt niet iets nieuws gecreëerd. In
summa: een diachrone verklaring belicht het ontstaan van een gebruik, een
synchrone verklaring de effectiviteit ervan. Beide samen vormen een adequate
aetiologie.
Tenslotte een voorbeeld om dit te illustreren. In allerlei culturen werd met Nieuwjaar een zondebok geofferd of weggejaagd. Te denken valt aan het gebruik in Rome en aan de Israëlitische zondebok. Vergelijkbaar zijn Nieuwjaars- en Carnavalsfeesten waarin een gekozen Prins Carnaval na een korte omkeerheerschappij ritueel gedood wordt of uit de stad verjaagd wordt. Waarom dit alles? Synchrone anthropologen zeggen dat dit gebruik voortkomt uit de menselijke behoefte om zich te ontladen van allerlei maatschappelijke spanningen. Vernieuwing van het jaar brengt vernieuwing van het gemoed met zich mee en moét zich vertalen in een uitlaatklep. Diachrone verklaringen wijzen op de overeenkomst met allerlei oude mythen waarin de Zonnegod, die ooit als koning in het Paradijs geheerst had, hieruit werd verdreven of jammerlijk aan zijn einde kwam. Allerlei benamingen die aan Prins Carnaval of de zondebok worden toegekend zijn ook namen voor de Zonnegod en suggereren dus werkelijk verband met de mythe. Ook wordt de Zonnegod zelf vaak als een bok of stier voorgesteld, zodat de parallel bijna volkomen is. Welke verklaring heeft het nu bij het juiste eind? Niemand schijnt dat te weten, terwijl de oplossing hierboven methodisch gegeven is. De synchrone verklaringen belichten alleen waarom de gebruiken vruchtbaar waren, welke effecten ze hadden op het gemoed van de mens en welke psychosociale functies ze vervullen. Over de oorsprong van de gebruiken zeggen ze echter niets, want de gebruiken zijn niet verzonnen. Ze zijn geënt op een oude traditie en dat is een traditie die in diachrone verklaringen wordt aangewezen. Je kunt aantonen dat in de verre Oudheid mythen vaak tegenhangers hadden in riten en symbolen. Ofwel: bij een traditie hoorde een verhaal en een teken en omgekeerd. Wat er eerder was, het verhaal, het teken of de handeling, laat ik hier in het midden; het gaat nu om de oorspronkelijke integriteit van deze drie begrippen. Er was dus vanouds een mythe over de dood of de vlucht van de Zonnegod. Bij deze mythe hoorde een rite, waarin een zondebok of een aangewezen Prins Carnaval tijdelijk de Zonnegod belichaamde en diens lot onderging. Omdat in de loop van de tijd de relatie tussen mythe en rite minder transparant werd en uiteindelijk geheel vervaagde, hadden de mensen soms een synchrone, 'begrijpelijke' verklaring nodig. Als ze die niet konden geven, stierf het gebruik uit of pasten ze het aan aan Christelijke maatstaven. Elders werd het voortgezet zonder dat iemand begreep waar het omging. In die gevallen kon het voortbestaan wegens zijn psychosociale functie als emotionele uitlaatklep. Op deze wijze zijn synchrone en diachrone verklaring voor een cultureel verschijnsel, in casu het regifugium, beide juist. En daarom ging het mij hier. Rest ons nu alle cultureel-anthropologische handboeken te herschrijven vanuit het principe der dubbele waarheid.